Boeren, burgers en buitenlui in Culemborg

Het is rond 11.00 uur in de morgen de najaarszon begint warm te worden wanneer Marjoleine en haar oom Jan met de trein over de brug van Culemborg, een heus industrieel bouwwerk zijn aangekomen op het station in Culemborg. Hun koffers zijn door kruiers in een koets geladen en zo vertrekken zij naar de binnenstad. Ze logeren in een herberg bij de Binnenpoort. Oom Jan wil graag meteen een wandeling maken door de stad en hoewel Marjoleine moe is van de lange reis wil ze dolgraag mee. Het is dinsdag en op het marktplein hebben veel boeren en handelaren hun koopwaar uitgestald en prijzen dit aan. Oom Jan en Marjoleine lopen onder de Binnenpoort door op zoek naar een rustige plek. Ze hebben hun tekenspullen meegenomen om eerste schetsen te maken. Wanneer ze over de Varkensmarkt lopen zien ze aan het begin van de Zandstraat het stof en strooi dansen in het zonlicht begeleid met veel vliegen en het loeien van de koeien. Boeren en handelaars maken prijzen voor het vee om daarna de koop te beklinken met een pul bier in een van de kroegen. Marjoleine kijkt haar ogen uit en aait twee kleine zwarte witte koeien wanneer ineens een ruk aan het touw wordt gegeven door een jongen met blond strohaar.  ‘Wat doe je nou’, roept hij, ‘Koeien aaien’. Marjoliene schrikt en trekt gauw haar hand weg en dan kijkt ze in de helderblauwe ogen van Koen. ‘O, pardon’, jullie zijn zeker buitenlui’, bromt Koen. Marjoleine knikt verlegen. ‘Hoi, zegt Koen. ‘Ik ben Koen’. ‘Hallo’, zegt ze, ‘ik ben Marjoliene uit Den Haag’, daarna staat haar mond niet meer stil. ‘Ik ben hier gekomen met de trein samen met mijn oom Jan Weissenburch’. ‘Hij gaat hier stadgezichten schilderen en omdat ik ook graag schilder wil worden ben ik met hem mee’. ‘Mijn moeder vond het eerst maar niets, maar uiteindelijk mocht ik mee’. ‘Wat een wereldreis en wat hebben jullie een bijzondere brug over de Lek’. “En hoe heten deze schatjes’, zijn het je huisdieren’. Koen zijn mond valt open’ Wat kan dat meisje kletsen, zouden ze dat allemaal doen in Den Haag’. Vader roept Koen de vaarzen zijn verkocht en hij mag naar huis om moeder te helpen op de boerderij. Koen krijgt ineens een plan, zou het niet leuk zijn om dit buitenlui meisje zijn boerderij te laten zien.

‘Zeg, zal ik je mijn boerderij laten zien’, vraagt hij. Marjoleine kijkt naar haar oom, die knikt afwezig en dan gaat ze samen op weg langs de Veemarkt door de kleine steegjes naar de Nieuwstad. Koen laat haar alles zien de koeien, de kippen, de pasgeboren biggetjes en de kleine katjes die over het erf rollen. Marjoleine is dol op kleine poesjes en probeert ze te aaien. ‘Wat fijn als je zoveel dieren hebt, ik woon in de stad dat is niets voor dieren zegt mijn moeder. Ik wou dat ik hier woonde en dan al die groenten zo uit je eigen tuin en eieren van de kippen voor het oprapen’. Koen glimlacht’ We hebben ook land verderop bij de Middel Lage Voorkoop daar verbouwen we suikerbieten, graan en hebben we een boomgaard’.

‘Zo, zegt Marjoleine, ‘jullie zijn rijk’. Koen glimt van trots, niemand in zijn hele leven heeft hem ooit vertelt dat hij rijk is. ‘Kom, zegt hij, ’dan laat ik je de stad zien en een andere keer wel de boomgaard’. ‘Dat moet ik wel even aan mijn oom vragen’, zegt ze, ’anders weet hij niet waar ik gebleven ben’. ‘Ik zag hem net verdwijnen aan het van de veemarkt’. ‘O, zegt’, Koen, hij is vast naar de Zandpoort, daar heb ik hem weleens meer zien schilderen’. Inderdaad oom Jan staat te schilderen bij de Zandpoort of wat daarvan over is want na de orkaan van 1856 is de poort behoorlijk beschadigd. Maar Oom Jan weet er vast een mooi schilderij van te maken, hij maakt altijd alles mooier en bijzonder op zijn schilderijen. Hij knikt wanneer hij de kinderen ziet geeft ze een rond brood en een kan water, daarna is weer helemaal verdiept in zijn werk. Koen en Marjoleine gaan wat eten en pootje baden in het kleine haventje net buiten de poort. Ze kijken naar de boeren en handelslieden die hun overgebleven waren weer in de bootjes laden van de weekmarkt. ‘Kom, zegt Koen, gaan we nu naar de binnenstad’. Marjolein zwaait naar haar oom en samengaan ze richting het grote marktplein. Aan het einde van het marktplein staat het stadhuis. ‘Hee, zegt Koen, ‘daar loopt Jacob, dat is een vriend van mij, wacht even dan roep ik hem’. Jacob draait zich om en zwaait naar Koen. Marjoleine en Koen zetten het op een rennen en ontmoeten Jacob onder ‘de kaak’. ‘Hoi Koen, druk met de veemarkt vandaag, ik zag je niet op school’. ‘Tsja’, zegt Koen het werk gaat voor school’. ‘Dit is Marjoleine, ze komt uit Den Haag met de trein met haar oom die schilder Wiessenburgh die onze stad schildert, zij schildert zelf ook en nu laat ik haar de stad zien’. Jacob knikt, hij heeft de schilder ook al eens staan bewonderen bij de Goilberingerpoort toen hij zijn schilderij daar aan het afronden was. Later stond hij te schilderen bij de Binnenplaats van het stadhuis en daarna nog een keer bij de scherpe hoek aan het begin van de Havendijk. ‘Wat is dat’, vraagt Marjoleine terwijl is omhoog kijkt. ‘Dat is de ‘kaak’’, zegt Jacob. Hij loopt naar de rechterhoek van het stadhuis. ‘Dit is een plaats waar veroordeelden in de banden worden geslagen en zo te kijk werden gezet’. ‘Zo worden gestraft en Culemborgers gooien dan rotte eieren naar ze’. ‘Ken je die uitdrukking ‘, zegt Koen aan ‘aan de kaak stellen’. Marjoleine griezelt even, gauw vraagt ze ‘En wat is dat’. Midden voor het Stadhuis ligt een Blauwe Steen. Jacob zegt, Dit was de plaats waar vroeger misdadigers terechtgesteld werden. Dan kregen ze te horen wat voor straf ze kregen. Gaan jullie mee naar binnen dan laat ik jullie zien wat ik doe na schooltijd.’ Ze lopen door de gangen van het stadhuis het is er heel mooi en indrukwekkend. Dan komen ze in een kantoor waar allemaal klerken en kantoormensen zijn. Jacob laat zijn schrijfwerk zie en zijn lange rekensommen. ‘Wat bijzonder’, roepen Koen en Marjoleine in koor. Ze mogen het ook een keer proberen schrijven met een kroontjespen toch weer heel anders dan ze op school doen. ‘Wat grappig zegt Jacob’, wij zijn alle drie hetzelfde en toch anders een boer, een burger en een buitenlui!

Het is leuk wanneer je op de workshop komt in Pakhuis vol Verhalen dat je het verhaal al gelezen hebt met je meester of juf. Tijdens de workshop in Pakhuis vol Verhalen vragen we waar het verhaal overgaat en kun je schrijven met een kroontjespen, of schilderen op een doek of . Daarna ga je op de foto als boer, burger of buitenlui!

Related Projects
0